
Ooit zocht ik naar een nieuw huis op de woningruiler. Ik stuitte op een huis in de Oosterparkbuurt, bewoond door een meisje van een jaar of 21. Op de vraag waarom ze wegwilde antwoorde ze nonchalant; Ik heb het met mijn bovenbuurjongen gedaan en die wil ik dus noooit meer tegenkomen op de trap.
Erop vertrouwend dat dit hippe meisje niet met een totaal gedrocht de liefde had bedreven beneed ik haar erg; ik heb nog nooit een buurman gehad waar ik ook maar een flirtende glimlach mee kon uitwisselen, laat staan dat ik er de lakens mee zou willen delen.
Ik heb ze allemaal gehad; de Aso Amsterdammer die mij en mijn huisgenotes tierend vertelde dat normale mensen wel wenste te slapen na 9 uur ‘s avonds maar wel doodleuk om 6 uur ‘s ochtends het gras ging maaien. De Zweefteef die mij maar niet kon dulden omdat ik een rood spanningsveld om me heen had hangen. De Islamitische Benedenbuurvrouw die ons duidelijk kenbaar maakte dat ze het maar helemaal niks vond dat mijn vriendje en ik in onze badpakken over het dakterras paradeerden. En nu dan dus Stadskenner die denkt dat alleen mensen die net zo oud zijn als de stad zelf erin mogen wonen.
Amsterdam is een stad met een heleboel mensen, en geloof me, naast 95% van die mensen wil ik niet wonen. Zo heeft Stadskenner laten weten stappen tegen mij te ondernemen als ik mij weiger aan te passen aan de normale leefomstandigheden op mijn grachtje, welke ik trouwens nog steeds niet doorgefaxd heb gekregen. Ik denk dan: wat bedoel je nou toch man, mijn Jimmy Choos het raam uit? Geen Kraftwerk meer en al helemaal geen vriendinnen meer op bezoek die een gezellige fles wijn hebben meegenomen? Geen zwoele zomernachten met mooie homos op bootjes tegenover mijn huis en stoppen met het roken van jointjes met de andere buren?
Zijn dat niet juist de dingen waarom je in een stad gaat wonen?
Na een klein incident vorig jaar, meneer sloeg mijn ruitje in tijdens de nacht van de gaypride omdat hij vond dat we de muziek veel te luid hadden staan, terwijl er zich buiten koninginnedagachtige taferelen afspeelden, besloot ik eens met hem te gaan praten.
Ik belde aan en de toon was al lekker gezet toen hij mij gebood te gaan zitten en hij het gesprek begon met: “Luister jij eens even goed, ik heb hier een hele bibliotheek”. Hij sprak het woord zo uit BIIIIIEEEEblIIIIIEEEEoTHek. Alsof die BIIIIIEEEEblIIIIIEEEEoTHek last van mij zou hebben en hij niet. “En ik schrijf, en ik heb heel belangrijke dingen om over na te denken dus ik kan jouw levensstijl er niet bij hebben.” Stadskenner moest eens weten waar ik wel niet allemaal over na moet denken en wat voor belachelijke schrijverijen ik allemaal moet produceren om mijn boterham te verdienen, maar dat zei ik niet. Ik probeerde nog wat in de trant van “jij schrijft, ik schrijf” maar dit pacifisme werd niet gewaardeerd.
Toen hij mij daarna nog vertelde dat ik meer thuishoorde bij de buurvrouwen 100 meter verderop, ik woon naast het spinhuis dus dan weet u het wel, waren we wel uitgepraat. We hebben de schade maar via de buurtagent afgehandeld.
Omdat Stadskenner af en toe niks te schrijven heeft, ligt hij in het holst van de nacht ook nog weleens met een doos eieren op de loer. Toen ik laatst met de veel Leukere Buurman en Buurvrouw nog even een afzakkertje ging drinken en de gemoederen tussen socialisten en liberalen ietwat hoog opliepen besloot Stadskenner met zijn doos eieren uit zijn schuilplaats te komen. Met vier welgemikte worpen kwamen de eieren tegen mijn ramen aan. Hij had beter pitcher dan Stadskenner kunnen worden.
Omdat Leukere Buurman ook al bekend is met de vete tussen mij en Stadskenner besloot hij verhaal te halen. We hadden veel te hard gediscusseerd, dat was waar. Maar om daar nou een doos eieren aan te verspillen dat vonden we ook weer wat overtrokken.
Een aantal weken later vond de pacifist in mij dat de oorlog lang genoeg geduurd had en besloot ik eens bij hem langs te gaan. Stadskenner dronk een biertje en ik niks. We besloten de strijdbijl te begraven en als goede buren verder te gaan.
Er heeft zich tot nu toe nog niets voorgedaan, behalve dat ik gemerkt heb dat Stadskenner af en toe lange tijd bij mij naar binnen staat te kijken. Hij doet dat op een soort strenge schoolmeester manier. Een beetje schuddend met zijn hoofd en hij kijkt vooral erg boos. Ik ben een beetje bang van Stadskenner. Wellicht dat hij een aanval met een kanon aan het voorbereiden is die hij onverhoopt nog in zijn BIIIIIEEEEblIIIIIEEEEoTHek heeft liggen.
Ik ben op mijn hoede. Je weet maar nooit, de muren van oude huizen zijn dun daar vliegt zo’n kanonskogel zo doorheen. Dat heb ik dan weer uit een boek van Stadskenner.
Amsterdamse buren, ik heb het er niet zo op.