donderdag 29 maart 2012

Barbaars Catalunya.



In Spanje wordt vandaag gestaakt. Het is de grootste nationale staking sinds het Franco regime. De Spanjaarden zijn boos; morgen treedt er een nieuwe wet in werking die het mogelijk maakt mensen sneller te ontslaan. Ook wordt er een plan gepresenteerd dat de sociale voorzieningen met 11,5% doet slinken. In een land waar 23 % van de beroepsbevolking werkloos is niet de sancties waar je op zit te wachten.
Bij het krieken van de dag worden vuren ontstoken die de wegen blokkeren, vuilcontainers worden in de trapgaten die naar de metro leiden gegooid, een verdwaalde taxi wordt bekogeld met eieren.
De manifestanten lopen rond in hoog opgetrokken kragen en forceren iedereen het werk neer te leggen; winkels die wel open zijn worden onder dwang gesloten en journalisten dreigend aangekeken. De sfeer doet grimmig aan en men wordt gewaarschuwd Barcelona te mijden vandaag.
Ik kijk televisie. Op het beeldscherm dringen boze jonge mannen zich op voor de camera. Het ziet er allemaal even agressief en proleterig uit. 
Wat me steekt is dat de strijd die gevoerd wordt er een lijkt te zijn alsof de arbeidersklasse zich in geweld en vandalisme stort en de nette burgers er verschrikkelijk onder lijden. Ik zie een oudere heer uit een Prius stappen wiens voorband plat is omdat hij over een barricade van glas en spijkers is gereden. ‘Kijk nou wat die lui gedaan hebben…!!!’ schreeuwt hij wanhopig uit. Ik heb medelijden met hem. Ik heb ook medelijden met die 23% Spanjaarden die geen werk hebben.
En ik heb ook medelijden met degenen die deze filmpjes in elkaar gemonteerd hebben omdat het wel lijkt alsof Franco zelf achter hen staat en ze bij het minste of geringste de diepste kerker in stuurt als ook maar even zal blijken dat hier niet alleen een boos volk staat, maar vooral een erg wanhopig, teleurgesteld en verdrietig volk. Ik heb nog niet een iemand horen vertellen over het waarom van al dit geweld. Op mijn tv-tje lijkt het alsof Spanje in een land van ongestructureerde barbaarsheid is veranderd, maar of dat werkelijk zo is, betwijfel ik ten zeerste.     

foto: google 

zaterdag 18 februari 2012




Boerkaverbod:: En als ik nou eens zeg dat het gewoon hartstikke warm onder mijn Boerka is, krijg ik dan ook een boete met -8 ? Dat moet ik toch zeker zelf weten...

vrijdag 17 februari 2012

Het station in Middelburg


Op het station van Middelburg lijkt de tijd te hebben stilgestaan. De foto’s van de versnaperingen zijn gelig en het interieur ruikt er muf. Toch ben ik blij dat er in Nederland nog plekken zijn die we vergeten zijn te moderniseren. Die gewoon in de nineties zijn blijven hangen alsof we nog naar Abraxas luisteren en elkaar moeten buzzen.


Ik ga zitten en denk aan de tijd dat ik op soortgelijke plekken hing. Of moet ik zeggen hang, want ik was toen een hangjongere, maar dat woord bestond in 1996 nog niet. Wat ben ik blij om op een plekje te zijn die de verlounging van de wereld heeft overgeslagen, waar je nog gewoon met guldens kan betalen en met een gerust hart een bamibal met  vlees kan eten. Want groen daar deden we in de nineties nog niet aan, wel aan paars en dat kan nu ook niet meer. 
Ik kijk om me heen, op het bordje waar de daghap op moet komen te staan zit een meisje gehurkt wat te schrijven. “Griekse Kippen Gyros, 6,95,- !!!” Ik zucht, de wereld is in Middelburg een stuk eenvoudiger dan in de rest van het land. Gelukkig maar.

donderdag 24 november 2011

Mide In Chian



Engels is de taal. Wie Engels spreekt; spreekt de wereld. Zonder Engels waren we wellicht ergens maar we zouden ons een stuk minder bewust zijn van wat dat ergens inhoudt. Handig: altijd. Uniform: zeker. Daardoor minder authentiek: helaas ook.

Ik vond het altijd flauw om over schrijffouten te gaan bakkeleien. Wie maalt er om een verkeerde e of t als het om Engelse bordjes gaat; wanneer de boodschap duidelijk is maakt het in wezen niets uit. Van mij mag iedereen zijn eigen Engels maken. Taal puristen haken denk ik nu af, dahaaag!!!
Ik was erg zeker van mijn zaak totdat ik de volgende tekst tegen het lijf liep: Mide in Chian. Het was een yogamat gekocht op de grand bazaar in Delhi. Ik bedoel; Come on!!

Ik ga ervan uit dat men hier Made in China heeft willen zeggen. Je kunt het schattig noemen, doch schuilt er een gevaar in. Ik weet namelijk niet zeker of dit is wat de yogamatten maker ook echt daadwerkelijk bedoelde. Duidelijk is dat hij dacht dat het nogal hip is om dingen uit China te laten komen hier. Het product wordt er geliefder door: Een slechte plastic yogamat, maar wel eentje made in China.
Het gevaar schuilt in waar die grens ligt tussen creatief met taal zijn en onbegrijpelijk voor anderen worden. MIDE IN CHIAN is hoogstwaarschijnlijk MADE IN CHINA op een yogamat in Delhi, in die context kan ik de puzzel nog afmaken. Maar ‘Let's get merrie!’ op een wenskaart? Wil je dan met me trouwen of wil je dat we gelukkig worden? Dat is nogal een verschil. Zonder directe context is taal alleen niet meer voldoende; ik heb een bazaar en een heleboel andere yogamatten nodig die made in China zeggen, om te begrijpen wat er bedoeld wordt.

We worden ondanks dat de taal die we spreken hetzelfde is, onverstaanbaar voor elkaar omdat we niet meer weten welke afspraken er gemaakt zijn over wat iets betekent. Door de taal steeds verder van haar bron te brengen is zij gedoemd zo te veranderen dat een nieuwe taal ontstaat. Mensen met verschillende culturen en verschillende karakters gebruiken hem. Die culturen en die karakters gaan allemaal in de taal zitten en zo verandert ze. De taal gaat ten onder aan haar eigen grootsheid!

Het Engels wat je aantreft op de hete, stoffige grand bazaar in Delhi lijkt bijna niet meer op haar verre moeder in het koude Engeland. Is het nog wel Engels of spreken we van een verbastering? En is die verbastering niet een levendige invulling van wat die taal moet doen? Communiceren, in wat voor vorm dan ook en door iedereen! Als ze het al zover gemaakt heeft is ze dan niet juist heel erg geslaagd in waar ze ooit voor was bedoelt? Ze verbindt namelijk mensen met elkaar. En zouden we niet heel blij moeten zijn met mensen die door dit soort fouten te maken, omdat er  weer een beetje avontuur en ongewis is in de wereld? Altijd maar alles in dat nette Cambridge direct te snappen is een stuk saaier.

Mide in Chian klinkt opeens toch een stuk minder lachwekkend en eerder als een klank van de toekomst. Het is een logisch gevolg van het contact en handel tussen anderstaligen. Het is een pidgin geent op het engels, veel gesproken en veel begrepen. Een wereldtaal als je het mij vraagt.
Voor wie geïnteresseerd is; het domein www.mideinchian.com is nog tot 2 januari 2012 eigendom van iemand, dan komt het vrij. Met het oog op de groeiende economieën in Azië zou ik zeggen; sla je slag, je weet maar nooit; wellicht is het nieuwe Cambridge Engels afkomstig van een yogamat uit Delhi….
   

zondag 20 november 2011

De monnik in het kleurenspectrum.



Een monnik maakt een foto van een aantal berggeiten op een pad ergens in een bergachtig gebied. Zijn oranje gewaad steekt schril af tegen de groen beige achtergrond. 
Ik heb fotografie gestudeerd en op die school leer je een heleboel over kleur. Waarom dat is hoef ik je eigenlijk  niet uit te leggen, kleur kleurt immers je beeld en is dus erg belangrijk. Het is als een kok op een koksschool en een violist op het conservatorium, je leert er de zintuiglijke waarneming te beïnvloeden en te ontwerpen.
Maar hoe weten we eigenlijk zeker dat iedereen dat oranje gewaad als oranje ervaart? Ik vraag me dit al jaren af! De ingrediënten van de foto mogen dan bij elkaar passen, bepaalt door de wetten van compositie en kleur, maar wie zegt dat we die allemaal hetzelfde beleven? Misschien is mijn oranje wel paars voor jou.
Is onze zintuiglijke perceptie altijd hetzelfde? En hiermee bedoel ik, de signalen die mijn ogen afgeven als een oranje, zijn die voor een ander niet paars of groen? En zijn de combinaties die wij als mooi en prettig ervaren niet het resultaat van iets wat we geleerd hebben? Zijn de contrasten wel hetzelfde ook al ervaren we de kleur anders en kunnen we dus wel allemaal zien dat dit bij elkaar past of juist gek afsteekt ten opzichte van elkaar. De melange blijft dus hetzelfde maar anders ingekleurd omdat de codering van de kleuren een andere waarneming veroorzaakt. Hoe weten we zo zeker dat we allemaal hetzelfde zien­?
 Ik legde dit ooit eens voor aan een van mijn leraren,die vond dit belachelijk en waarschijnlijk ook een veel te ingewikkeld vraagstuk. Hoe weten we zeker dat we allemaal hetzelfde proeven als we zout bedoelen? Ik kan immers jouw smaak niet proeven en jouw oranje niet zien.
De leraar heeft denk ik gelijk. Het is onwaarschijnlijk dat het anders zou zijn; het gewaad is oranje, en we zien het hetzelfde. Maar het is het overwegen waard dus heb ik de monnik eens in wat andere kleuren gezet. Mocht dit namelijk toch niet zo’n belachelijk vraagstuk zijn, dan kunnen we eens ervaren hoe een ander de monnik zou zien als zijn hersens oranje zouden vertalen naar paars of groen.



Hoe weten we zeker dat iedereen hetzelfde ziet?  Dat weten we niet. Waarom vindt de een oranje mooi en de ander niet? Een kwestie van smaak zeer zeker, maar wellicht ook wel een verschil van zintuiglijke perceptie. De natuur heeft zichzelf zo vorm gegeven dat we beschikken over een enorme variatie in kleur, maar of ieder individu zich op dezelfde plek bevindt in dat kleurenspectrum en dus ook met dezelfde bril kijkt, is mij vooralsnog niet 100% zeker. En daarom.


zaterdag 5 november 2011

Het zak moment


Het zakje valt in het glas. Vrij baant zij zich een weg naar beneden. Op het moment dat ze het water bereikt, remt zij vaart; zij neemt de tijd zich onder te dompelen in het dampende water. Schuin zakt zij een paar milimeter, eerst rechts dan links. Rustig. Even lijkt ze te willen dansen in het water, ouderwets swingen, een jaren 40 moment, dansende matrozen en lolita’s in gestippelde kleding. Dan komt ze abrubt stil te staan. Daar is het moment, een klein rukje door de plotsklapse stilstand. Dan vormt er zich een klein rood wolkje. Ik vind dit zelf het mooiste moment, maar misschien verschillen we van mening... Dat zelfvertrouwen; onweerstaanbaar. Zij lijkt zelfingenomen te zeggen: “Wacht maar even jij daar, ik ben zo klaar, dan heb ik tijd voor je, nu geniet ik zelf nog even..."
Na deze trage rode flow in het water te hebben gespuwd, is het zakje passief. Als een afwachtend meisje, dat al wel in bed ligt met haar vriendje maar haar broekje nog even aanhoudt, al is het alleen maar om hem te plagen. Het gaat gebeuren, de vraag is alleen wanneer, hoe lang moeten we nog wachten totdat het zakje haar aroma’s in volle kracht en alle diverse sensaties aan het water gaat geven?
Ik wacht en kijk, mijn adem inhoudend opdat zij zich misschien sneller aan het water geeft, maar niks daarvan. Ze kijkt me aan en neemt haar tijd. Als een professionele artieste bewaart zij het beste voor het laatst. Even wachten nog.
En dan in alle stilte verkregen, een traditie, een universeel genot. Haar smaak is vermengd met het water. Prachtig gekleurd doch vol van eenvoud.. . Een terugkomend genot, iedere dag, dat ene moment. Het heiligste der heiligste, iedereen doet het overal en iedereen wil het altijd; het zak moment is geweest. De zekerheid van dat wat komen gaat heerlijk is. Een kopje thee. I love it.

It is not in a name.


Everyone who has been around this planet knows them: The Israeli travellers. Noisy, young & puffed. Thailand, Brazil, Mexico, India. You’ll meet them anywhere and I presume in general other nationalities are not so keen on them. Until recently I shared this opinion.
Israelis can be quite confronting and ‘in your face’. With their surviving spirits, their loud music, indefinite pride, unrecognizable language and stunning young bodies; they are a bit scary and frightening if you are not one of them. Israelis bound, but usually and mostly with each other.

But I was intrigued by the site of these apparently xenophobic youngsters. I’m sure something was there. As a good journalist I started to observe them. Maybe I was able to crack the code what made these people so interesting. Nevertheless my observation skills, I suddenly found myself not observing but participating...
It happened on a lousy afternoon while painting my nails on the shared porch of my apartment in an idyllic small mountain village. The next door boy, member of an Israeli group which residents my building as well, questioned my life as if we knew each other for a long time. His shameless interest and cynical approach were strange to me, almost inconvenient but the honesty warmed my heart. I was not invited, I was just there. And I felt at home, pretty easy. Hello family.

I have noticed it is easy to feel at home in Israeli groups. Although I have never been to Israel, I feel more welcome amongst Israelis abroad then I ever felt visiting France or the USA. A nation, combined, coming from everywhere, Israelis, I think, have a gen for adaption.
In a community where most people come from a minority, is it common to welcome another minority to make them feel at home? As if they will help you to survive in an environment which is not yours. Has history programmed you guys like that? It happened to me over and over; every time I step into a group of Israelis they seem to make a place for me and I can crawl in and relax; I have my brothers and sisters. I feel at home.
I must say; I have never met so many Israelis. Israelis take care of each other and tell you what they think. No walking on eggshells, even the most delicate political subjects can be discussed and you don’t have to be shy to tell your true opinion, although they wouldn’t either.
Israelis share everything, which is a secret only Israelis know. And me now: I have got an Israeli IPod recharger, Israeli tampons, an Israeli pink towel, Israeli wound cream, an Israeli umbrella, a bag of Israeli ganga and Israeli socks. How is this possible that a group of people so social, so kind, so powerful is coming from maybe the most hated nation in the world? Or is that the thing? I considered every part but could not find a solution.
Being European I got suspicious... What is the core of their generosity? And why did no one ever tell me this before?

But I found my answer
.
It is the names; I mean what the f*ck? Drorr, Nir, Agal, Sigal, Igal, Ogal, Tomer, Erril, Shimon, Eilat, Tull, Noy, Roiy, Tal, Enoug, Lihen, Nits... For me, European, it is a big task to remember all this non-logical sounds, no reference to whatsoever. They sound like names from a different planet; Isralien maybe?
After several months of participation, drowning in their company and loving it, it is still impossible for me to remember those names. And trust me I tried but I simply cannot capture them. I guess that is the reason for their kind behaviour; Israelis will not be remembered by their names, but by their deeds. The capacity of caring, sharing and flaring is personalizing them and therefore names are unnecessary.

Simple as that.

Air India

donderdag 29 september 2011

De Veerman


De veerman is een belangrijk man. Hij overbrugt. Hij brengt mensen bij elkaar of juist niet. Hij brengt je verder. Tegenwoordig zie je er niet meer zoveel maar als je er een ziet lijkt hij soms zo uit een sprookje te zijn gelopen. Er zijn immers zoveel mythen en sprookjes over hem.
De Grieken moesten na hun dood de Styx, rivier van de haat, die het land van de levenden met het land van de doden scheidt, over steken. Veerman Charon zette de zielen over als zij hem een drachme betaalden. Vandaar dat de Griekse doden altijd een muntje onder hun tong hebben; anders zouden ze eeuwig ronddolen.
Ook in de allegorische roman Siddartha van Herman Hesse is de veerman een belangrijke schakel:
Siddarta is een jongeman, op zoek naar de zin van het leven in de tijd van Buddah. Hij doolt rond door het leven.
Op zijn reis ontmoet hij Vasideva, de veerman. Hij heeft verlichting bereikt door te luisteren naar de rivier. Siddhartha moet de rivier oversteken, maar heeft geen geld om de veerman te betalen. Vasideva zet hem gratis over, en zegt “alles komt terug”. En Siddhartha komt op een dag ook terug als hij zijn minnares verlaat. Verdrietig en gedesillusioneerd zoekt hij een nieuw doel. Hij ziet Vasideva en bereikt verlichting op dezelfde manier. Hij wordt ook veerman. Hierna gaat Vasideva de bossen in en sterft. De cirkel is rond.
Veermannen zetten ons over en zodoende genieten ze aanzien en respect. In mijn ogen een autoriteit. Ik was dan ook zeer aangenaam verrast vandaag een veerman te ontmoeten. Het was op een klein pontje, meer een vlot, van Pokara de Fewa over. De veerman deed zijn werk goed; netjes hielp hij mij en mijn reisgezel aan boord en het vlot werd rustig door een touw de rivier over getrokken. Dat touw gooide hij netjes in een
ronde klos achter hem op de grond. Het was een heel gedecideerd gebaar. Hij wist precies wat hij deed en er bestond geen twijfel over wie hier aan boord de lakens uitdeelde. Zijn taak stond hem goed en ik was diep onder de indruk. Hij zette ons over en hielp me weer aan wal. Ik groette hem netjes en hij tikte even op zijn petje.
Toen we terug kwamen was de veerman in geen velden of wegen te bekennen. Wel waren er een stuk of 8 chinezen die nogal jolig, wat overigens een vreemde staat van zijn is voor Chinezen, op het vlot stonden. Wij gingen ook op het vlot staan. En toen ging er iets mis. De Chinezen begonnen aan het touw te trekken en gingen ons over zetten alsof zij de nieuwe veermannen waren. ‘Hee Heuh, Hee Heuh, Hee Heuh’ galmde het over de Fewa. Ze gooiden het touw in een warrige klos achter zich. Ook ging het vlot te hard, we denderden met ijzingwekkende snelheid op de oever af.
Toen zag ik in mijn ooghoek de veerman aan komen snellen in zijn groene roeiboot. De veerman passeerde en schreeuwde dat de Chinezen moesten stoppen, bang dat ze zijn vlot kapot zouden varen. Mijn metgezel greep in, hij beduidde de Chinezen niet zo hard aan het touw te trekken. Ze luisterden maar half en lachten ons en de veerman wat schier toe.
We kwamen bij de kant. Daar was nu ook de veerman. Hij vloekte en tierde naar de Chinezen en ook naar ons, alsof wij ook aan zijn autoriteit twijfelden. Ik was diep bedroefd. Niet omdat hij zo boos op ons was, maar omdat de veerman zich zo in zijn eer moet aangetast voelen. Hij is de enige veerman die ik ken die geen respect afdwingt en met wiens vlot men er zo vandoor gaat. Het is een treurig geval deze veerman. Ik hoop maar het beste voor hem, al hoorde ik dat er nog veel meer Chinezen richting Pokara komen.

maandag 21 maart 2011

Knut is dood.


Je weet wel die duitse ijsbeer. Knut dus, die is dood.

Terwijl er grijze enge wolken boven een japanse kerncentrale hangen, terwijl er bommen op Libische overheidsdoelen worden afgevuurd, terwijl een 64-jarige friezin als oudste nederlandse vrouw ooit van een dochter bevalt, gaat Knut dood.

Knut werd verstoten door zijn moeder, kreeg een pleegmoeder die doodging in een auto ongeluk, ging met Leonardo di Caprio op de foto en was wereldberoemd. Wir willen Knut, klonk het in Berlijn. We waren blij met Knut. Hordes fans keken naar Knut. Knut kreeg een eigen song en heeft een eigen wikipedia pagina. Knut was een ster, een kleine maar toch.

De andere ijsberen mochten Knut niet. De twee grotere damesijsberen waren niet aardig tegen Knut. Ze dreven hem in een hoekje. Eng en lelijk. In het wild had Knut weg kunnen gaan, als lonesome cowboy zijn dagen slijten met overmatig visgebruik. Maar dat ging in Berlijn helaas niet. Hij was gedoemd in een klein bassin te leven met twee veel te grote hysterische dames die jaloers waren op kleine Knut en al zijn aandacht.

Knut is doodgegaan van gepest. Van verdriet. Van eenzaamheid. We weten het niet zeker, maar dat is wat er gezegd wordt. Wellicht is kleine Knut ook wel doodgegaan omdat de media aandacht hem teveel werd en omdat het hoort om als wereldster vroegtijdig het loodje te leggen. Dat voelt die dan wel weer goed aan die Knut.

Terwijl de wereld toekijkt hoe er 30000 mensen weggespoeld zijn uit Japan. Terwijl de wereld oordeelt over kolonel Khadaffi. Terwijl kleine Megan bij haar grootmoeder lijkt te liggen. Toen, op dat moment dus, een prachtige zonovergoten lentemorgen, stort Knut ten overstaan van hordes fans, als een wereldster dood neer en bereikt daarmee voor eeuwig de sterrenstatus.

maandag 31 januari 2011

dinsdag 18 januari 2011

Jellinek Retreat Curacao


Een advertentie die mij wat vreemd voorkomt.
Ps. Kijk vooral even naar de randen van de advertentie.

donderdag 22 juli 2010

Amsterdamse buren.


Ooit zocht ik naar een nieuw huis op de woningruiler. Ik stuitte op een huis in de Oosterparkbuurt, bewoond door een meisje van een jaar of 21. Op de vraag waarom ze wegwilde antwoorde ze nonchalant; Ik heb het met mijn bovenbuurjongen gedaan en die wil ik dus noooit meer tegenkomen op de trap.
Erop vertrouwend dat dit hippe meisje niet met een totaal gedrocht de liefde had bedreven beneed ik haar erg; ik heb nog nooit een buurman gehad waar ik ook maar een flirtende glimlach mee kon uitwisselen, laat staan dat ik er de lakens mee zou willen delen.

Ik heb ze allemaal gehad; de Aso Amsterdammer die mij en mijn huisgenotes tierend vertelde dat normale mensen wel wenste te slapen na 9 uur ‘s avonds maar wel doodleuk om 6 uur ‘s ochtends het gras ging maaien. De Zweefteef die mij maar niet kon dulden omdat ik een rood spanningsveld om me heen had hangen. De Islamitische Benedenbuurvrouw die ons duidelijk kenbaar maakte dat ze het maar helemaal niks vond dat mijn vriendje en ik in onze badpakken over het dakterras paradeerden. En nu dan dus Stadskenner die denkt dat alleen mensen die net zo oud zijn als de stad zelf erin mogen wonen.

Amsterdam is een stad met een heleboel mensen, en geloof me, naast 95% van die mensen wil ik niet wonen. Zo heeft Stadskenner laten weten stappen tegen mij te ondernemen als ik mij weiger aan te passen aan de normale leefomstandigheden op mijn grachtje, welke ik trouwens nog steeds niet doorgefaxd heb gekregen. Ik denk dan: wat bedoel je nou toch man, mijn Jimmy Choos het raam uit? Geen Kraftwerk meer en al helemaal geen vriendinnen meer op bezoek die een gezellige fles wijn hebben meegenomen? Geen zwoele zomernachten met mooie homos op bootjes tegenover mijn huis en stoppen met het roken van jointjes met de andere buren?

Zijn dat niet juist de dingen waarom je in een stad gaat wonen?
Na een klein incident vorig jaar, meneer sloeg mijn ruitje in tijdens de nacht van de gaypride omdat hij vond dat we de muziek veel te luid hadden staan, terwijl er zich buiten koninginnedagachtige taferelen afspeelden, besloot ik eens met hem te gaan praten.

Ik belde aan en de toon was al lekker gezet toen hij mij gebood te gaan zitten en hij het gesprek begon met: “Luister jij eens even goed, ik heb hier een hele bibliotheek”. Hij sprak het woord zo uit BIIIIIEEEEblIIIIIEEEEoTHek. Alsof die BIIIIIEEEEblIIIIIEEEEoTHek last van mij zou hebben en hij niet. “En ik schrijf, en ik heb heel belangrijke dingen om over na te denken dus ik kan jouw levensstijl er niet bij hebben.” Stadskenner moest eens weten waar ik wel niet allemaal over na moet denken en wat voor belachelijke schrijverijen ik allemaal moet produceren om mijn boterham te verdienen, maar dat zei ik niet. Ik probeerde nog wat in de trant van “jij schrijft, ik schrijf” maar dit pacifisme werd niet gewaardeerd.
Toen hij mij daarna nog vertelde dat ik meer thuishoorde bij de buurvrouwen 100 meter verderop, ik woon naast het spinhuis dus dan weet u het wel, waren we wel uitgepraat. We hebben de schade maar via de buurtagent afgehandeld.

Omdat Stadskenner af en toe niks te schrijven heeft, ligt hij in het holst van de nacht ook nog weleens met een doos eieren op de loer. Toen ik laatst met de veel Leukere Buurman en Buurvrouw nog even een afzakkertje ging drinken en de gemoederen tussen socialisten en liberalen ietwat hoog opliepen besloot Stadskenner met zijn doos eieren uit zijn schuilplaats te komen. Met vier welgemikte worpen kwamen de eieren tegen mijn ramen aan. Hij had beter pitcher dan Stadskenner kunnen worden.
Omdat Leukere Buurman ook al bekend is met de vete tussen mij en Stadskenner besloot hij verhaal te halen. We hadden veel te hard gediscusseerd, dat was waar. Maar om daar nou een doos eieren aan te verspillen dat vonden we ook weer wat overtrokken.

Een aantal weken later vond de pacifist in mij dat de oorlog lang genoeg geduurd had en besloot ik eens bij hem langs te gaan. Stadskenner dronk een biertje en ik niks. We besloten de strijdbijl te begraven en als goede buren verder te gaan.
Er heeft zich tot nu toe nog niets voorgedaan, behalve dat ik gemerkt heb dat Stadskenner af en toe lange tijd bij mij naar binnen staat te kijken. Hij doet dat op een soort strenge schoolmeester manier. Een beetje schuddend met zijn hoofd en hij kijkt vooral erg boos. Ik ben een beetje bang van Stadskenner. Wellicht dat hij een aanval met een kanon aan het voorbereiden is die hij onverhoopt nog in zijn BIIIIIEEEEblIIIIIEEEEoTHek heeft liggen.
Ik ben op mijn hoede. Je weet maar nooit, de muren van oude huizen zijn dun daar vliegt zo’n kanonskogel zo doorheen. Dat heb ik dan weer uit een boek van Stadskenner.

Amsterdamse buren, ik heb het er niet zo op.